Ken Follet
Pillars of the Earth

New American Library 2002,
976 pp

kaft Pillars of the Earth

 

Michael Frijda
Schrikdieren

Prometheus
Amsterdam 1998
206 pp

 

kaft Schrikdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ken Follet – Pillars of the Earth
New American Library 2002, 976 pp.

Een heel dik boek uit het vakantie-appartement. Het weer zat even niet mee en ik leek tijd genoeg te hebben. Halverwege besefte ik dat het niet zou gaan lukken om het uit te lezen. Toen ben ik diagonaal gaan lezen en heb ik alle minutieuze beschrijvingen van de bouw van kathedralen overgeslagen. Gelukkig heb ik wel weer gelezen hoe Jacques een molen gebruikte om schapenwol bruikbaar te maken.
Het verhaal speelt in de Middeleeuwen. Er komen opmerkelijk sterke vrouwen in voor. Als je de kathedralenbouw weglaat, zou het goed een jeugdboek kunnen zijn. Het is spannend genoeg om door te willen lezen. Alleen was het soms dodelijk vermoeiend om te ervaren dat iedere keer als het eindelijk eens goed ging, er weer een ramp gebeurde en alles van voren aan weer opgebouwd moest worden.
Ook werd ik af en toe moe van de overwegingen van prior Philip: in hoeverre is iets ijdelheid of trots? Maar toch… deze Philip krijgt zo ontzettend veel tegenslag, zonder een diep godsgeloof zou hij het niet hebben gered.
Mijn eigen gevoel ging uit naar de vrouw met de honingkleurige ogen. Zodra zij ten tonele verscheen, voelde ik me rustig. Met haar in je nabijheid kan er niks gebeuren. Zij vertegenwoordigt de natuur.
Alien is ook een sterke vrouw. Zij staat eigenlijk tussen de kerk en de natuur in. Maakt haar dat tot de stad met al zijn handel?
Het jeugdboekachtige kwam op zijn zwartst tot uitdrukking in Graaf William. Voor hem is er als enige dan ook geen vergeving mogelijk. Voor de andere slechteriken geldt Gods Genade.
Zou ik het vervolg willen lezen? Als ik eraan begin, ben ik vast verkocht.
september 2009

Michael Frijda – Schrikdieren
Prometheus Amsterdam 1998, 206 pp

Dit boek staat al een hele tijd in mijn boekenkast. Eindelijk maar eens uitgelezen. Het viel me niet tegen, ondanks dat het een flopper is (er zijn maar iets van 350 exemplaren van verkocht). Zelf heb ik het niet gekocht. Ik heb het van Michael gekregen toen hij hier op de boot een tijdje aan het klussen was. Zijn debuutroman Ritselingen heb ik in 2006 ooit gelezen en daar was ik ook redelijk positief over. Dit boek is een verhalenbundel. Altijd zo moeilijk om te bespreken.
Op de flaptekst staat: In de verrassende, altijd onvoorspelbare wereld van Michael Frijda dolen mensen rond die de schrik van hun geboorte nooit te boven zijn gekomen. Zij verlangen ernaar weerstand te bieden aan die verbijstering en verwarring, en te ontsnappen aan de beperkingen van het dagelijks leven. Narcisme, angst, botheid en liefde zijn hierbij de bouwstenen.
Wel, die schrik van de geboorte zegt me helemaal niks. Maar onvoorspelbaarheid, weerstand en ontsnapping dekken wat mij betreft de lading wel.

GRIJPER
Een jongeman met dichterlijke aspiraties raakt gefascineerd door een reusachtige laadkraan. De stoere werknemers staan op het punt hem hardhandig de waarheid te zeggen. Maar dan veroorzaakt de onhandige jongen een klein ongelukje met de gehate beveiligingsambtenaar en nu zijn ze vrienden voor het leven. Wat ook goed helpt is dat de jongen van die lollige dingen zegt, bijvoorbeeld dat hij gedichten schrijft.
Een grappig verhaal met aardige technische informatie over grijpers.

DAKGOOT
Een schoolconciërge maakt de dakgoot schoon als hij geroepen wordt door het schoolhoofd. Er komt een karweitje tussendoor. Hij is stiekem verliefd op een al wat ouder schoolmeisje. Hij volgt haar regelmatig en ontdekt dat zij dol is op poezen. Hij neemt er een mee naar zijn onderkomen in de school en verwent hem. Op een dag lekt het en hij herinnert zich dat hij nooit de dakgoot heeft afgemaakt. In de dakgoot ziet hij de ogen van zijn poes. Hij strekt zijn armen uit en loopt op de poes af. Alleen is hij de schep vergeten die er nog lag….
Een sneu verhaal met heel veel liefde voor ambachtelijkheid, met name houtbewerking.

BUL
Dit verhaal vond ik heel erg akelig. Een hele lieve jongen helpt een jonge dief en wordt opgenomen in de bende. Het loopt niet goed af.

VOEDING
Een volmaakte jongen verliest zijn moeder. Hij eet niet meer en wordt broodmager. Totdat hij iemand iets uit een automatiek ziet halen. Vanaf dat moment propt hij zich vol met alles wat er maar achter die glazen deurtjes zit. Thuis eet hij nog steeds niet. Niemand snapt dan ook waarom hij zo wanstaltig dik wordt.
Ook een akelig verhaal.

ZEEWIND
Thomas is lichtmatroos. Hij krijgt de kans om stuurman te spelen, hij is zielsgelukkig. Tijdens een verlof in zijn woonplaats ontmoet hij het meisje Poemela. Hij gaat met haar mee en ze beleven een mooie liefde. Zij wil dat hij blijft. Hij wil naar zee.
Weer staat Thomas op de brug. Het blijkt een geintje. Het schip staat op de automatische piloot. Thomas wil geen zeeman meer zijn, hij wil naar huis. Maar Poemela is er niet meer.
Weer zo’n sneu verhaal over een onschuldig en goedbedoelend iemand. En weer zitten de omstandigheden niet mee.

TEKENING
De hoofdpersoon werkt op kantoor maar wat hij het liefst doet is zijn rozentuin onderhouden en lijnen tekenen in zijn schetsboek. Er is een vrouw die hij steeds ontmoet, al ziet hij haar gezicht nooit. Hij weet niet wat zijn getekende lijnen betekenen, totdat hij erachter komt dat hij steeds die vrouw probeerde te tekenen.
Leuk in dit verhaal was de animositeit tussen zijn twee collega’s wanneer er een promotie in de lucht hangt. Maar verder kon ik er niets mee. Wel werd ik stil van de bodemloze eenzaamheid die door dit verhaal werd uitgewasemd.

ECHO
Vroeger speelde de ik altijd met woorden. Totdat zijn vriendin Suze daar genoeg van krijgt. Ze heeft gelijk. Woorden zijn ontastbaar, vluchtig. Vorm en materiaal, dat is andere koek. De ik ontdekt zijn ware roeping: hij is beeldhouwer. Suze heeft de haar onbekende eigenschap om altijd op het juiste moment voor al het lelijke te gaan staan, zodat de ik zich kan concentreren op het mooie. Hij ontwikkelt zich, zijn kunstopvatting verandert. Hij wil zich nu concentreren op het lelijke om daar vervolgens door nauwgezette studie een pure schoonheid uit los te weken. Daarbij staat Suze natuurlijk letterlijk in de weg. Dus concentreert hij zich op het spuuglelijke kurken plafond. Hij komt tot het inzicht dat hij eerst zijn eigen kern moet blootleggen. Al starend naar het plafond rekent hij af met al zijn opvoeders, beginnend met zijn ouders en eindigend bij Suze. Eindelijk is hij dan zo ver. Hij kan het verleden de rug toe keren en naar de toekomst kijken: een barre uitgestrekte vlakte waar nog geen grassprietje groeien kon, zo grijs en kleurloos als een dooie mus, smaakloos als een glas water.
Zijn conclusie is duidelijk: Ik zag voor me hoe daar straks een prachtige sculptuur zou komen te hangen, gemaakt uit een schroefhaak, een touw met een lus en verder uit het eerlijkst denkbare materiaal: ikzelf.
Maar eerst wil hij daar toch met Suze over praten. Alleen Suze komt niet meer. Ze stuurde twee dikke mannen van een verhuisbedrijf. De kunstenaar blijft achter in een lege kamer, zonder tapijt met alleen twee harde keukenstoeltjes.
Het grenzenloze egoïsme van de ikfiguur maakt dit verhaal zowaar grappig. De sneer naar psychoanalyse en kunstkritiek geeft het een extra lading. Leuk dus.

GEBIT
De hoofdpersoon was altijd bang voor de tandarts, maar een logeerpartij bij de familie Waterglas doet hem inzien dat alle lijden relatief is. Op de feestelijke opening van een sauna in de buurt ontmoet de ik Carla Waterglas met haar witte tanden. Tegenover haar ouders laat hij doorschemeren dat de erotische afwerking en decoratie van zijn hand zijn. Er ontstaat een gesprek: Mijn rol in de gedachtewisseling beperkte zich vooral tot het luisteren naar hun theorieën over aura-lezing, matrassen gevuld met koud water enzovoort. Hij wordt uitgenodigd om bij de Waterglassen op het platteland te verblijven. Hij moet zich vooral spiritueel laden en kennismaken met het landleven:
’s Ochtends om halfzes, direct na het ontbijt van havermout met boekweitsiroop, begaf Annegreet (de moeder) zich al in de keuken opdat wij ’s avonds konden genieten van vrijwel gare gierst met pompoen, respectievelijk bruine bonen met pompoen of pompoen met ongepelde rijst.
Buiten op het erf staat een zweethok. Annegreet sleurt onze hoofdpersoon er als het ware naar toe. De langskomende Carla geeft hem een excuus ervandoor te gaan. Dan probeert Joop (met zijn vel dat doet denken aan afgekoelde havermout) het ook nog eens. En weer redt Carla hem door over de melkemmers te vallen. En al die tijd kan hij zijn tanden niet poetsen omdat hij zijn tandenborstel vergeten is. Helaas weet hij niet welke tandenborstel van Carla is, want hij moet er niet aan denken dat hij er een van Joop of Annegreet gebruikt.
Inmiddels is het van zijn karnwerk afgehaald en moet hij een kelder schoonmaken waarin de geiten de hele winter gewoond hebben. In poging van zijn mondbacteriën af te komen, drinkt hij Joops brandewijn. Nu is zijn tandvlees nog poreuzer geworden. Het resultaat: een allesoverheersende kiespijn. En toch is dat het begin van zijn verlichting.
Nadat de boel bij de Waterglassen nog verder is geëscaleerd, krijgt de ik een bed in een overheidsinstelling. Belangrijker nog, hij wordt naar de tandarts gestuurd.
‘Nu ben ik vrij. Geen enkele tandarts kan mij nog iets maken, en niets of niemand kan mij nog teleurstellen of kwetsen want ik zoek niet meer. Ik doorkruis de stad nu zonder doel en zonder haast, want ik heb geleerd dat het lot mij stuurt via onverwachte wegen en dat de zegen schuilt in hoeken waar men die het minst verwacht.
Een onzinverhaal, waar ik me goed mee geamuseerd heb.

VERF
Het leukste verhaal. Weer met de nodige kennis over ambachtelijkheid geschreven. Maar net als in het vorige verhaal is de hoofdpersoon uiteindelijk niet de verliezer. En waar het vorige verhaal de draak stak met zogenaamde ‘alternatievelingen’ doet dit verhaal dat met trendsetters op interieurgebied.
augustus 2009